F. de Haas-van der Star

Interview F. de Haas - van der Star                24-05-1987

Gesprek bij pater Van der Drift op het kasteel van Gemert met mevrouw De Haas en Karel Cornelissen omtrent een interview "de komst van de Indische Nederlanders naar Gemert". Dit werd opgenomen op zondag 24 mei 1987 van 15.45 tot 18.15 uur.

 

Tegenwoordig zeggen ze, nou dat hoeft niet. De koningin hoeft niet zoveel geld te krijgen. Ik vind dat het gewoon wel mag, het vorstenhuis en ik gun het ze wel. Ik ben gek op de Oranjes. Op mijn verjaardag krijg ik altijd Oranjeboeken. Ik vind trouwens monarchieën wel interessant. Ik vind het wel mooi de geschiedenis van al die monarchen. Kijk, zeg ik tegen mijn kinderen, wat een chaos het overal is waar een president is. Dat vinden jullie toch ook niet goed. Ik vind het nou best.

Wij kwamen in 1950 in Dordrecht terecht. Er zaten allemaal gerepatrieerden in dat hotel, want zij krijgen natuurlijk uitbetaald van het Rijk. Wij moesten ook 60% afstaan. Die heetten allemaal contractpensions, een benaming die ze aan alle mogelijke huisvestingsmogelijkheden hebben gegeven. Na vier dagen zat ik te janken van ellende. Als wij gegeten hadden, wilden wij natuurlijk in de lobby gaan zitten, maar die hotelhouder zei: “Naar boven allemaal.” Ik zei: “Naar boven, alweer naar boven. Ik houd het hier niet uit. Ik wil hier weg.” Dus we pakken onze koffers onder het bed vandaan. Ik werd stapelgek. “Oh, waarom heb je ons toch hiernaartoe meegenomen, jong?” “Ja meis, het moet nou eenmaal, he.” Half huilend stonden wij daar. Ik zeg: “Wegwezen, inpakken.” En toen zijn wij gewoon zonder … ja, we hebben wel tegen de hotelhouder gezegd: “We zijn een paar dagen weg.” En toen ben ik naar mijn schoonmoeder gegaan. Die woonde in Berg en Dal. Die had nog een open zolder boven. Op de grond slapen, op de planken dat interesseerde me niet. Liever dat, als daar. Ik kon zelf mijn eigen potje koken. Mijn man zat toen in Leeuwarden. Maar DMZ zat achter zijn vodden aan, want die denkt, ‘he, daar is een familie verdwenen’. DMZ is Dienst Maatschappelijke Zorg. Die zaten ons te zoeken. En eindelijk hebben ze in de gaten, dat we bij de schoonouders zitten. Die ambtenaar zei: “Dat kan u niet maken.” “Niet maken? Ik zit op een dakkamertje van drie bij drie met twee kinderen.” “U moet in een contractpension terug, want anders krijgt u geen huis.” Wij hebben een paar maanden gewacht en toen kregen we in Grave plaats bij een Hollandse familie. Die heeft een slijterij gehad. Een gescheiden vrouw of moeder of een weduwe. Daar hebben we dus zes weken gezeten. Ik heb de bevalling afgewacht van mijn zoon en toen heb ik de boel ingepakt en weg naar het nieuwe huis. 

Voordien hebben we wel bericht gehad van de gemeente van Gemert. Het was in januari geweest dat wij uitgenodigd werden voor kennismaking. Begin januari 1951. Ze hadden hier al drie huizen klaar en ingericht. Modelwoningen. Wij hadden een verschillende samenstelling van gezinnen en naar de grootte van je gezin kreeg je de meubelvoorschotten. Er waren drie huizen klaar. Ik weet niet meer van hoeveel. Ik weet wel dat er een bij was van 2400 gulden, een van 3000 en een van minder dan 2000. Wij hadden 2000 gulden met een gezin van twee kinderen, want de derde was nog niet ingetekend. Afijn, we kwamen hier aan bij het gemeentehuis en kregen een kop koffie. Er was daar al een hele groep. Van de familie Firing was meneer er. Hij woonde in de Wassenaarstraat nummer 1, familie Dumasy, familie Van Bommel en de familie Denissen. De rest is misschien met een andere groep geweest. Ze legden ons uit dat we naar die modelwoningen gingen kijken en daar konden we dan onze keuze maken. Er ging een gezinsverzorgster mee, die ons daarbij begeleidde en de heer Vossenberg (dat is ons lieverdje), van de gemeenteafdeling Financiën. We waren ‘hartstikke dol’ op hem. Afijn, we zaten daar net aan de koffie toen er wel een incident gebeurde. Er stormde iemand naar een loket terwijl wij hier zo zaten en die bonkte en die vloekte. Dat was mijn latere buurman Sterken. En die maar vloeken en tieren en hij sloeg met zijn vuisten. Wij zaten daar zo met onze eigen gedachten en keken elkaar aan en zeiden: “Nou dat is een aardig welkom.” We dachten allemaal hetzelfde. “En dat is geen stijl, dat die mensen, die zwerten, die komen zomaar binnen en die krijgen maar alles, die krijgen een huis.” Hij had waarschijnlijk nog geen huis toegewezen gekregen. Of hij daardoor toegewezen heeft gekregen, weet ik ook niet, maar hij kwam in mijn rij te wonen. Ja, dat was dan het welkom. Die man werd weggeloodst met vijf man. Voor ons gevoel ben je dan niet welkom.

Toen zijn we gaan wandelen. Door de Nieuwstraat de Virmundtstraat in en toen zag ik daar meubelmaker Smits en ik keek in de etalage en zei: “Goh, wat een leuke meubels.” Toen zei die gezinsverzorgster, dat hij heel goede meubels maakte. Dat was ook zijn latere vrouw. Het is redelijk dat zij daar reclame voor maakt. Maar Vossenberg zei: “Nee, nee, nee. Daar kunt u niet kopen.” Maar die huizen. Eerlijk gezegd vond ik het maar zozo. We mochten nergens anders kopen. Dat werd ook gezegd. Uit die huizen moest je een keuze maken. Dat was dus firma Van Zeeland. Een heel klein textielwinkeltje tegenover Van Brussel heeft gordijnen geleverd en vloerbedekking. Ik heb zitten zoeken, maar ik kan niet op de naam komen. Verhagen porselein, strijkplanken, huishoudelijke apparatuur. We waren verplicht het meubelvoorschot bij die bepaalde zaken te besteden. Wij hebben dat maar gedaan. Wij zijn afhankelijk van die meubelvoorschotten. Wij hadden niks, geen rot rooie cent. We hebben dus uitgekozen. Ik voor 2000 gulden. Dat was toen natuurlijk erg veel, maar voor een huis inrichten. Naderhand denk je, dat was niks.

Op 24 februari ben ik in dat huis gekomen. Familie Falkenburg kwam al de 17e of de 18e, want zij zaten heel slecht in een contractpension. Daarna familie Van Bommel, familie Firing en toen kwamen wij. En toen Denissen. Ik weet ook precies waar ze woonden. Naderhand hadden wij zo aansluiting, want het zijn allemaal collega's van mijn man. De mannen werkten allemaal op Volkel en de vrouwen zaten thuis, dus die hadden ook zo aansluiting. Naderhand gingen we dus overal kijken en kwamen we tot de ontdekking dat iedereen dezelfde gordijnen had, dezelfde lampenkap, dezelfde vloerbalatum, dezelfde matten. Je kunt niet verzinnen wat. Het verschil was alleen dat de mensen die meer hadden te besteden die hadden een bankstel. Ik had niet veel te besteden. Ik had een eetkamerameublement, met vier stoelen en twee armstoelen een tafeltje voor het raam. Zij hebben dat geplaatst en zeiden dat dat zo hoort.

We hebben dat maar geaccepteerd en ik ben nog zo binnengekomen en een kachel en alles. De keuken was ook maar kaal. Er was een gasstel, tafel en een paar stoelen en dan een wasmand, borden drie of vier van elk en kopjes. Dat was niet een compleet servies. Wij dachten, nou ja. Het leek op de distributie zoals wij die direct na de oorlog hebben gekregen toen wij uit de kampen kwamen. Ook distributie. Als je getrouwd was kreeg je een distributiepapiertje. Dan krijg je precies twee borden, twee glazen, twee vorken, twee lepels en twee messen. Nou daar ging het op lijken, voor de tweede maal distributie. Nou ja, alleen maar betalen, dan kunnen we later nog altijd bijkopen.

Van de ene kant zeiden we: “nou ja, sudah zeg.” U weet hoe wij Indischen zijn. Sudah, laat maar. Wij wonen al lekker en hopen maar dat het goed gaat. We zeggen maar niks en als we moeten betalen, nou ja dan maar betalen. Na een tijdje dan denk je: wat is dat eigenlijk he. Dan moest je de mat oprollen. Uitkloppen, want dat moest ik natuurlijk ook nog leren. Naar buiten ermee. De buurvrouw zei: “Dat moet je zo doen.” En toen zei ik tegen de buurvrouw: “Er zit een gat in het balatum.” “Ja, maar we zijn hier zuinig. Dat hoort zo.” De ellende is. Ik verplaats mijn meubels graag. Dat deed ik ook met mijn bed. Wat is dat zeg. Allemaal kleine stukjes balatum. Gewoon vastgespijkerd. Hoort dat zo? Ik naar de buurvrouw. Mevrouw Van Gemert was dat. Moet je eens luisteren. Doen jullie dat allemaal zo? Je moet dat bed ook daar op zijn plaats laten staan. Zij was heel cru en zei: “Je bent bedonderd.” “O ja”, zei ik zo. En toen gingen mijn haren recht overeind staan. Toen dacht ik van mijn armzalig meubelvoorschot. Toen vroeg ik: “Waarom?” Ja, die had het uit zuinigheid gedaan en die had niet meer en had gedacht: ik moet de rommel kwijt. Ik was kwaad. En ik had een traploper gekregen van hem. Ik had een kokostraploper besteld. Nou had die meneer gezegd: “Ik heb het eigenlijk nog niet mevrouw, maar u krijgt het wel. Maar u krijgt voorlopig van mij zoiets.” Dat ding werd hoe langer en langer. Hoe langer hij daar lag. Op het laatst moest ik hem oprollen bij de voordeur. Hij kwam niet opdagen en dat vond ik zulke vervelende dingen allemaal. Op een dag kwam hij langs. “O, meneer Van Zeeland kom eens efkes. Wat gebeurt er met mijn loper? Ik kreeg van u nog een traploper, he.” “Maar mevrouw, dat kan ik toch niet meer terugnemen.” Ik had hem ik weet niet wat willen doen. En ik naar Vossenberg toe. “Meneer Vossenberg dat kan toch niet zo.” “Ja maar mevrouw, uw man heeft allang getekend.” “Hij heeft dat beloofd. Hij heeft mij dat voorlopig gegeven.” Maar ja, mijn ja is zijn nee. Ik kreeg het niet. Later ga je alles berekenen en denk je dat ding is toch goedkoper dan die kokostraploper. Maar ja, ik kreeg geen geld terug. 

Toen was ik aan het werk gegaan voor 400 gulden, die ik nog moest hebben voor mijn jongste kind. Ik kreeg extra 400 gulden. Ik naar meneer Vossenberg. “Ja dat krijgt u, maar wat wilt u ervoor hebben?” “Een naaimachine.” “Dat is luxe”, zei hij. Voor een huismoeder? Maar ik weet nou de weg. Ik laat mijn man naar mevrouw Spoor schrijven. Zij is de vrouw van de generaal Spoor. Zij is altijd na de dood van haar man voor ons opgekomen. Nou dan schrijven we daarheen. Kwam hij de volgende dag. “Ja, ja u mag toch een naaimachine kopen. Dat kunt u dan hier krijgen, een Pfaff.” “Nee, die wil ik niet. Ik wil een Singer.” “Dat kan niet.” Ik vraag hem: “Meneer Vossenberg, waarom hebben we niet de vrijheid om iets te kopen? Wij moeten er al voor betalen en dan moeten wij nog iets kopen, wat u zegt. U heeft er toch geen verstand van, man. Ik wil een Singer.” Dat kon niet. Dan schrijven we naar Den Haag. Weer dreigen met Den Haag. Toen kon het. “En waar koopt u het.” “In Helmond. Hier is geen Singer, dus ik koop in Helmond.” Toen heeft hij erin toegestemd. Dat is toch krankzinnig. De andere mensen die later in de Berglaren zijn komen wonen, hebben we natuurlijk ingelicht. Niet nemen. Wat Van Zeeland hier verkoopt is prut. Het gaat los zitten. We kwamen hier in de winter. De gordijnen hingen, boven het raam kreeg ik zo'n reep. Ik zeg tegen mijn man. “Jongen, moet dat nou zo?” “Weet ik dat.” Er zit maar zo'n zoompje in. Je kunt niet eens meer uitleggen. Dat is toch geen stof. Als ik daaraan denk, kan ik soms nog huilen. Het is gelukkig allang voorbij, maar het moet eens gezegd worden. Waarom moeten wij altijd maar zeggen: “Sudah, laat maar.” Wij zijn ook maar gewone mensen. Zij willen ook niet zo behandeld worden. Als je zelf niet zo behandeld wil worden, waarom behandel je ons, die uit zo'n ver land komen en eigenlijk voor Nederland heel veel betekend hebben, dan zo? Nederlands-Indië heeft ontzettend veel betekend voor Nederland. Dat hebben we ook gemerkt nadat ze dat Indië kwijt zijn, hebben ze van Amerika allerlei gelden moeten aannemen. En alles moeten doen wat grote broer zegt. Dat durf ik gerust te zeggen. Grote broer heeft alles voor het zeggen gehad, alleen maar voor de poen. Ze hebben het toch maar moeten doen, moeten accepteren. Dat is toch een teken dat Nederlands-Indië ontzettend veel betekend heeft en waarom betekenen de mensen daar dan niks? Later denken wij wel, hoe kan dat toch dat ze hier niet weten van ons bestaan; hoe wij geleefd hebben? 

De gezinsverzorging. 

Ik kwam daar met mijn baby aan. Ik moet even naar het toilet zuster, wilt u de baby even vasthouden. O, ik zal hem wel even in de wieg stoppen, dan kan ik u wegwijs maken met het toilet. Wat zegt u? Ik heb altijd een toilet gehad. Wat hebben ze u hier eigenlijk wijs gemaakt? Wat hebben ze u verteld van ons? Dat u daar geen weg mee weet. Wacht u maar de volgende week, als ik al mijn spulletjes heb uitgepakt. Nou toen liet ik haar al de foto's zien. Ze zei: “Jullie hebben toch wel in echte huizen gewoond.” Toen dacht ik: wat zijn jullie toch zielig hier, he. Dat is gewoon de fout van de bestuursambtenaren. Ik neem aan dat deze mensen toch meer weten, dan de normale dorpsmensen. Die neem ik niets kwalijk. Natuurlijk op zo'n moment denk je : ja he, wat leuk. Of eerst mijn man in zijn wang knijpen. O, gij geeft niet af. Je neemt aan dat bestuursmensen die wat geleerd hebben, dat naar buiten kunnen brengen aan hun mensen. De mensen kunnen voorlichten, wat wij voor mensen zijn. Je hoeft niet alles te weten, maar ja. Het is nou allemaal gebeurd he. Het heeft ons wel ontzettend diep gegriefd. Vooral in het begin. Nou is het natuurlijk gaan slijten allemaal en hebben we gedacht: ach, we hebben het hier nog goed. We hebben hier ons brood op de plank, meer dan brood op de plank, biefstuk op de plank. Dat verzacht eigenlijk de wonden. Maar zo hoort het eigenlijk niet. En als u weet dat wij aan boord hebben moeten kiezen in welke streek wij graag wilden wonen. Toen zei ik tegen mijn man: vroeger hoorde je over de twisten tussen protestanten en katholieken. Wij zijn katholiek. We gaan maar naar Brabant of Limburg. Daar zitten onze geloofsgenoten. Anders zitten we weer in de puree. Wij dachten: wij zitten hier in een katholieke streek. Dus de mensen zijn hier heel anders, he. Maar nee, nee, nee. Maar de kerk.

Een vrijgezelle collega van mijn man komt nogal vaak bij ons thuis en die zei: ga je mee naar de kerk. Ja maar ik weet niet hoe het hier gaat.

 

Contact

Indisch Gemert Grootmeestersstraat 29,
5421 KK Gemert
info@indischgemert.nl